Ondanks dat de media nogal eens negatief zijn over de kwaliteit van het rekenonderwijs, gaat het in Nederland best goed. Dat benadrukt Marian Hickendorff, onderwijsonderzoeker aan de Universiteit Leiden. Tegelijkertijd ziet ze ruimte voor verbetering, vooral aan de bovenkant van het leerlingenspectrum. Sterke rekenaars worden te weinig uitgedaagd en differentiatie blijft lastig. “Leerkrachten hebben een gereedschapskist nodig, goed gevuld met verschillende tools gecombineerd met de vaardigheid om in een split second te bepalen welke strategie ze inzetten.”
Volgens Marian is het Nederlandse rekenonderwijs al decennia lang stabiel. “Zeker aan de onderkant van de scoreverdeling doen leerlingen het goed. Toch wordt in de media en politiek vaak gewezen op een rekencrisis. Dat doet geen recht aan de werkelijkheid, en al helemaal niet aan de moeite die leerkrachten erin steken.”
Aan de bovenkant van het spectrum kunnen volgens Marian wel kansen benut worden. “We zien in TIMSS-resultaten en inspectierapporten dat sterke rekenaars nog vaak onder hun niveau blijven. Daar zit onbenut potentieel en daar valt winst te behalen. Zorg dat ook de sterke rekenaars een doelgericht aanbod krijgen, dat hen uitdaagt en stimuleert de diepte in te gaan. Daar hebben zij begeleiding en instructie bij nodig. Volg hun voortgang en geef feedback.”
Geen losse trucjes
Marian benadrukt verder het belang van het stimuleren van begrip van procedures en ‘handig rekenen’ voor álle leerlingen. Daar doet zij onderzoek naar. Handig rekenen houdt in: zo efficiënt mogelijk rekenen. “Leerlingen moeten niet alleen kunnen uitrekenen hoeveel 643 - 299 is, maar ook begrijpen dat ze kunnen afronden naar 300 en dat dan terug compenseren. Die vaardigheid vraagt inzicht in getallen, flexibiliteit in denken en het vermogen strategieën met elkaar te vergelijken.”
Ze ziet dat zulke strategieën wel in rekenmethodes voorkomen, maar vaak los worden aangeboden zonder samenhang of aandacht voor keuzevaardigheid. “Dan blijft het bij de opmerking: je kan het ook zó doen. Maar waarom en wanneer je die aanpak kiest, wordt niet altijd besproken. Daardoor kunnen het losse trucjes worden.”
Om die reden pleit Marian ervoor om rekenopgaven op meerdere manieren uit te laten werken en met leerlingen te bespreken wat er gebeurt. “Strategieën naast elkaar laten zien en vergelijken werkt goed. Bespreek waarom hetzelfde antwoord eruit komt. Wat is sneller of handiger? Door dat expliciet te maken, groeien leerlingen in hun begrip én hun flexibiliteit.” Het vraagt ook iets van de leerkracht. “Wanneer leerlingen met een onverwachte aanpak komen, moet je snel kunnen schakelen. Begrijpt het kind wat het doet? Is het correct? Leent het zich voor klassikale bespreking of juist voor een individueel moment? Dat afwegen vraagt vakdidactische expertise.”
Nederland is daarnaast een echt methodeland, merkt Marian. “We volgen methodes vaak als een keurslijf, terwijl ze zijn afgestemd op een gemiddelde klas. Die gemiddelde klas bestaat niet. Afwijken van de methode, teruggrijpen op een eerdere leerlijn of juist versnellen vraagt inzicht en lef van een leerkracht.”
In de war
Ze benadrukt hoe belangrijk kennis van doorlopende leerlijnen daarbij is. “Je moet weten waar je leerlingen vandaan komen en waar ze naartoe gaan. Als de rekentaal of strategie abrupt verandert van groep 4 naar 5, raak je leerlingen kwijt, omdat ze daarvan in de war raken. Maar ook als je wil differentiëren of afwijken van de methode, moet je zicht hebben op de leerlijnen. Daar ligt nu de grootste verbetermogelijkheid.”
Dat begint al bij de opleiding. “De tijd die op de pabo aan rekenen besteed wordt, is eigenlijk te beperkt. Je kunt niet alles in vier jaar goed onder de knie krijgen. Differentiëren, strategieën vergelijken, handig rekenen begeleiden – dat vraagt verdieping en vlieguren.” Daarnaast is het volgens Marian waardevol om kritisch te kijken naar de rol van toetsen. “De doorstroomtoets toetst vooral procedures. Er zit geen probleemoplossend vermogen of wiskundige attitude in. Dat maakt de kans groot dat leerlingen trucjes aanleren zonder echt te begrijpen wat ze doen.”
Marian benadrukt dat de rekenkennis niet bij individuele leerkrachten alleen kan liggen. “Rekenonderwijs moet een teaminspanning zijn. Je bereikt weinig als één leraar een jaar lang iets fantastisch doet, zonder aansluiting met de rest van de school.
Professionaliseren werkt het best als je dat samen doet. Schoolleiders moeten daar ruimte voor maken. En ik zie een sleutelrol voor de rekencoördinator als kartrekker. Die kan niet alleen expertise borgen binnen het team, maar ook de brug slaan met externe en/of bovenschoolse netwerken en wetenschappelijke inzichten vertalen naar de eigen schoolpraktijk.”
Handige instrumenten
Er bestaan inmiddels meerdere instrumenten waarmee je met je team het gesprek kunt voeren. Over de sterke rekenaars, over prioriteiten in de aanpak, of over gedeelde taal. “Die gezamenlijke basis is cruciaal als je iets duurzaam wilt verbeteren. Ik adviseer het prioriteitenspel van SLO of de reflectiewijzer van de inspectie. Daarmee kun je als team snel zicht krijgen op waar je staat en wat je gezamenlijk wilt versterken”, legt Marian uit.
Voor scholen die willen starten, is het advies: begin klein. “Er hoeft niet meteen een scholingstraject aan vast te zitten. Begin met het gesprek. Zet het op de agenda. Kijk samen wat goed gaat en waar ruimte zit om te groeien. Vaak levert dat niet alleen beter onderwijs op, maar ook meer werkplezier.”
Als Marian op dit moment één ding zou mogen veranderen aan het Nederlandse rekenonderwijs? “Dan zie ik graag veel meer uren rekenen in de pabo-opleiding. Evenals in de professionalisering daarna. Want daar begint het allemaal.”


Bezig met laden...
Reacties